Antoine Oomen

Antoine Oomen is pianist, componist en dirigent. Uit de pianist kwam de componist en uit de componist de dirigent te voorschijn, maar de drie functies bleven naast elkaar en even sterk in zijn muzikale leven overeind, ook al neemt nu het componeren verreweg het grootste gedeelte van zijn tijd in beslag.

De pianist

Als jongetje van acht kreeg hij zijn eerste pianolessen van Nico de Zwart, dirigent van het parochiële kerkkoor waarin hij sopraan zong. Hij vorderde snel en werd twee jaar later toegelaten tot het Amsterdams Conservatorium als leerling van Johannes Röntgen. Op zestienjarige leeftijd, nog tijdens zijn middelbare schoolopleiding, slaagde hij met onderscheiding voor het eindexamen conservatorium, hoofdvak piano. Na het eindexamen gymnasium voltooide hij bij Nelly Wagenaar en Jan Odé zijn pianostudies, in 1969 bekroond met de Prix d’Excellence. In deze periode deed hij veel podiumervaring op in de conservatoria van Antwerpen, Brussel, Parijs, Keulen, München en Londen, waar hij het Amsterdams Conservatorium vertegenwoordigde bij uitwisselingsconcerten.

In de jaren hierna legde hij zich, naast een aantal solo-optredens met Nederlandse orkesten, voornamelijk toe op kamermuziek, eerst met violist John Helstone, later met cellist Harro Ruijssenaars, met wie hij een alom bejubelde grammofoonplaat maakte met werken van Beethoven, weer later met hoornist Hans Dullaert en violiste Jeanne van Tol in Het Hollands Hoorntrio, en nog weer later met violist Rudolf Koelman, met wie hij een cd met de drie Brahms-sonates en een cd met de beide Prokofjew-sonates opnam. De concerten vonden behalve in Nederland ook plaats in Engeland, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Hongarije en in de voormalige Sovjetunie.

Parallel aan deze carrière op het concertpodium liep een loopbaan als Amsterdams kerkmusicus: hij speelde vanaf zijn tiende jaar orgel in de Duifkerk, later in de Chassékerk en vanaf 1961 gedurende twintig jaar in de Amsterdamse Studentenekklesia, waar overigens na enige jaren het orgel plaats maakte voor de piano, zijn eigenlijke instrument.

De componist

Het was in de Amsterdamse Studentenekklesia dat zijn sluimerende belangstelling voor het componeren plotseling werd gewekt, en wel door priester-dichter Huub Oosterhuis, met wie hij aan het begin van de zeventiger jaren een samenwerkingsverband aanging dat tot op de dag van vandaag voortduurt.
De opbrengst bestaat uit meer dan driehonderd composities, die zonder uitzondering een belangrijk kenmerk gemeen hebben: de expressie is gelijkelijk over zangstem en pianopartij verdeeld.

Een paar jaar later werd hij door dezelfde Oosterhuis als componist binnengehaald bij het theatergezelschap Poëzie Hardop, waar hij gedurende zeven jaar talrijke liederen schreef op Nederlandse gedichten. In de jaren negentig publiceerde hij een bloemlezing met vijfentwintig van deze liederen.

In de tachtiger jaren hield hij zich enige tijd bezig met filmmuziek en schreef hij partituren bij een documentaire over de geschiedenis van de Nederlandse Graalbeweging, bij een documentaire over de Hoge Veluwe en het Kröller-Müller- museum, genaamd  Het bewaarde landschap, en bij een langlopende televisieserie over Nederlandse dorpen, stadjes en steden, genaamd Het gezicht van Nederland.

Door al het componeren raakte het openbare optreden langzaam maar zeker op de achtergrond, althans voor de pianist.

De dirigent

Midden tachtiger jaren was hij gedurende korte tijd koordirigent in de Amsterdamse Studentenekklesia, maar het zou nog geruime tijd duren voordat hij werkelijk de behoefte voelde om eigen werk te dirigeren. In 1992 richtte hij samen met Tom Löwenthal het Koor voor nieuwe Nederlandse religieuze muziek op, met de bedoeling een instrument te creëren waarmee cd’s konden worden gemaakt en liturgische concerten konden worden gegeven. Het werden tot nu toe twaalf cd’s, de eerste twee in samenwerking met Löwenthal, die zich daarna terugtrok, en vele concerten in alle delen van ons land. Door het Koor voor nieuwe Nederlandse religieuze muziek is op deze manier een niet geringe bijdrage geleverd aan de verspreiding van het Oosterhuis/Oomen repertoire.

In de tweede helft van de negentiger jaren heeft hij zich bezig gehouden met Engelse vertalingen van een gedeelte van het Oosterhuis/Oomen repertoire. Uitnodigingen voor workshops en concerten voerden hem naar Engeland, Wales en in totaal zeven keer naar de Verenigde Staten.

Het dirigeren beschouwt hij inmiddels als een uiterst belangrijk expressiemiddel voor zijn composities.